FAQ | Juridische kaders toegankelijk toetsen en examineren

“Inclusief ontwerpen waar het kan, individuele aanpassingen waar het nodig is”
Update: juli 2026
Toegankelijk toetsen begint bij inclusief ontwerp
Toetsen en examineren bepalen in belangrijke mate of een student kan laten zien wat die weet en kan. Daarom is het belangrijk dat een toets meet wat werkelijk bij de leeruitkomsten hoort. Een toets mag studenten niet onbedoeld benadelen door kenmerken die geen onderdeel zijn van het leerdoel, zoals leestempo, prikkelverwerking, concentratie, fysieke belastbaarheid of omgaan met tijdsdruk.
Toegankelijk toetsen kent twee routes die elkaar aanvullen. De eerste route is inclusief ontwerp. Daarbij wordt onderwijs en toetsing vanaf het begin zo ontworpen dat een diverse groep studenten zonder aanvullende voorzieningen kan deelnemen. De tweede route bestaat uit individuele aanpassingen. Die blijven nodig wanneer een inclusief ontworpen toets een specifieke belemmering voor een student niet voldoende wegneemt.
De wettelijke kaders vormen een belangrijke ondergrens. Zij beschermen het recht van studenten met een handicap of chronische ziekte op gelijke behandeling en doeltreffende aanpassingen. Inclusief onderwijs gaat daarnaast over de ruimte boven die ondergrens. Het vraagt dat instellingen terugkerende drempels herkennen, hun onderwijs kritisch bekijken en beschikbare mogelijkheden benutten. Hoe eerder rekening wordt gehouden met diversiteit, hoe minder studenten afhankelijk zijn van voorzieningen.
Lees verder:
Twee routes naar toegankelijk toetsen
Inclusieve startvraag
Lees verder:
Veelgestelde vragen
Wat zijn doeltreffende aanpassingen en wanneer is sprake van een onevenredige belasting?
Een onderwijsinstelling moet een doeltreffende aanpassing treffen wanneer die geschikt en noodzakelijk is om een belemmering voor een student met een handicap of chronische ziekte weg te nemen. Dat hoeft niet wanneer de aanpassing een onevenredige belasting vormt. Beide begrippen zijn open normen. De instelling moet daarom steeds de concrete situatie onderzoeken en haar afweging motiveren.
Juridisch kader
De Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) verbiedt direct en indirect onderscheid bij het aanbieden van onderwijs. Artikel 2 bepaalt dat dit verbod mede inhoudt dat een onderwijsinstelling doeltreffende aanpassingen moet verrichten, tenzij deze een onevenredige belasting vormen. Een aanpassing is doeltreffend wanneer zij geschikt en noodzakelijk is om de concrete belemmering van een student weg te nemen en gelijkwaardige deelname mogelijk te maken. Als een doeltreffende aanpassing is vastgesteld, dan kan er gekeken worden of dit een onevenredige belasting vormt. Bij de beoordeling van een onevenredige belasting kunnen onder meer kosten, organisatorische gevolgen, personele inzet, beschikbare middelen, de omvang van de instelling en de gevolgen voor de kwaliteit en het niveau van het onderwijs worden meegewogen.
Wat als een aanpassing te belastend is?
Het oordeel dat één specifieke aanpassing onevenredig belastend is, betekent niet dat de instelling niets meer hoeft te doen. Onderzoek of een andere aanpassing hetzelfde doel kan bereiken. Wanneer een individuele rustige toetsruimte niet beschikbaar is, kan bijvoorbeeld worden gekeken naar een kleinere groep, een andere ruimte, een geschikt tijdstip of andere maatregelen die de relevante prikkels beperken. Het alternatief moet de belemmering in de concrete situatie wel voldoende wegnemen.
Kwaliteit blijft de grens
Een aanpassing mag de eindkwalificaties, essentiële competenties en het vereiste niveau niet verlagen. Juist daarom is het belangrijk om scherp te formuleren wat de toets werkelijk moet meten.
Inclusief handelen
Begin niet uitsluitend bij de vraag welke voorziening voor één student moet worden georganiseerd. Onderzoek ook of de toets voor een grotere groep toegankelijker kan worden ingericht. Wanneer bijvoorbeeld veel studenten behoefte hebben aan duidelijke instructies, een rustiger afnameomgeving of minder onnodige tijdsdruk, kan een structurele ontwerpaanpassing doelmatiger en inclusiever zijn dan afzonderlijke aanvragen.
Aanpassingen
Bij het begrip aanpassingen moet worden gedacht aan zowel materiële als immateriële aanpassingen. Het kan bijvoorbeeld gaan om aangepaste materialen waarmee gewerkt kan worden, het kan ook gaan om aanpassingen tijdens het volgen van opleidingen, aangepaste werktijden of om aangepaste begeleiding. Tevens kan het gaan om aanpassingen die betrekking hebben op de toegankelijkheid van een gebouw of de inrichting daarvan. Kortom: aanpassingen kunnen betrekking hebben op al die maatregelen die gehandicapten en chronisch zieken in staat stellen om daadwerkelijk te participeren op de terreinen in de wet genoemd.
Bron: Kamerstukken II 2001/02, 28169, nr. 3, p. 25
Doeltreffende aanpassing
De aanpassingen moeten doeltreffend zijn. Dit houdt in dat ze geschikt en noodzakelijk moeten zijn om de gehandicapte of chronisch zieke als ieder ander te laten deelnemen aan het maatschappelijk leven. Geschikt is die aanpassing die belemmeringen van welke aard dan ook kan wegnemen en die de zelfstandigheid en volwaardige participatie en integratie van de gehandicapte of chronisch zieke kan bevorderen. Dit dient allereerst onderzocht te worden. Daarnaast moet worden nagegaan of de gevraagde voorziening ook noodzakelijk is, in die zin dat mogelijk met een andere (mogelijk minder kostbare) voorziening hetzelfde doel bereikt zou kunnen worden.
Bron: Kamerstukken II 2001/02, 28169, nr. 3, p. 25
Onevenredige belasting
Het nalaten van een doeltreffende aanpassing kan echter gerechtvaardigd zijn, wanneer deze aanpassing een onevenredige belasting vormt voor de wederpartij van de gehandicapte of chronisch zieke. Het zal afhangen van de omstandigheden van het geval wanneer dat zo is. […] Pas nadat aldus is vastgesteld welke aanpassing (met welk prijskaartje) doeltreffend is, kan de vraag worden gesteld of het treffen van deze aanpassing niet een onevenredige belasting vormt.
Bron: Kamerstukken II 2001/02, 28169, nr. 3, pp. 8, 26
Wie bepaalt welke aanpassing doeltreffend is?
De student maakt de ondersteuningsbehoefte kenbaar en kan aangeven welke oplossing volgens die student werkt. Bij toetsing en examinering ligt de formele beoordeling bij de examencommissie (artikel 7.12b WHW). De examencommissie moet de inbreng van de student serieus meewegen, relevante deskundigheid betrekken en een zorgvuldig en gemotiveerd besluit nemen.
De student als ervaringsdeskundige
De student weet vaak het beste waar de belemmering ontstaat, welke oplossingen eerder hebben gewerkt of wat die nodig heeft. Die kennis is essentieel, ook wanneer de examencommissie uiteindelijk voor een andere voorziening kiest dan de student heeft voorgesteld. Een oplossing die op papier passend lijkt, maar de belemmering in de praktijk niet wegneemt, is niet doeltreffend.
Voer het gesprek in drie stappen
Bespreek eerst welke concrete belemmering optreedt bij de toets. Bespreek daarna wat nodig is om de leeruitkomsten gelijkwaardig te kunnen aantonen. Onderzoek vervolgens welke ontwerpaanpassing of individuele voorziening dat effect kan bereiken. Hierdoor verschuift het gesprek van een vaste voorzieningenlijst naar een gezamenlijke zoektocht naar een werkbare oplossing. Het kan voor een student wel handig zijn om zicht te hebben in de beschikbare mogelijkheden/ de voorzieningenlijst.
Als een andere oplossing wordt gekozen
De examencommissie kan een alternatief aanbieden wanneer dat de belemmering voldoende wegneemt en minder duur, ingrijpend of beter uitvoerbaar is. Leg dan begrijpelijk uit waarom het alternatief doeltreffend is. Spreek ook af wat er gebeurt wanneer de gekozen oplossing in de praktijk onvoldoende blijkt te werken.
Voorbeeld
In een zaak over een dove student die een doventolk nodig had, bood de onderwijsinstelling tolken in opleiding aan (stagiairs). De student verzocht om professionele doventolken, omdat stagiairs niet altijd beschikbaar waren en het veel tijd en energie kostte om wisselende stagiairs te coördineren en hen in te werken in het vakjargon van het ICT-onderwijs. De onderwijsinstelling stelde dat de aangeboden voorziening doeltreffend was en dat een verdergaande voorziening niet noodzakelijk was om de opleiding te kunnen volgen.
Het CBHO oordeelde dat de onderwijsinstelling niet verplicht was een professionele doventolk in te schakelen. De student heeft recht op een doeltreffende voorziening, maar niet op een voorziening naar eigen voorkeur. De examencommissie beslist welke voorziening zij geschikt vindt, zolang die voorziening doeltreffend is. In deze casus vond het CBHO een tolk vanuit de opleiding voldoende passend (zie CBHO 2016/149, bundel 2017).
Iemand met een beperking dient zelf de noodzaak van een aanpassing aan te geven. Betrokkene dient ook aan te geven welke aanpassing nodig is.
Bron: Kamerstukken II 2013/14, 33 990, nr. 3, p. 7
Bij de beoordeling welke aanpassing in het concrete geval als doeltreffend kan worden gekwalificeerd, zal […] deskundig advies een belangrijke rol spelen. Uiteraard is hierbij de inbreng van de kant van de gehandicapte tevens van belang. Om uitvoering te kunnen geven aan de verplichting tot het doen van een doeltreffende aanpassing zal het voor de wederpartij duidelijk moeten zijn dat er behoefte is aan een aanpassing en tevens duidelijk moeten zijn welke aanpassing in concreto gewenst is. De behoefte zal op enigerlei wijze kenbaar moeten zijn of kenbaar worden gemaakt. […] Naar het oordeel van de regering, ligt hier echter een verantwoordelijkheid van de gehandicapte of chronisch zieke om de behoefte aan een aanpassing aan te kaarten.
Bron: Kamerstukken II 2001/02, 28169, nr. 3, blz. 26
Een aanpassing kan niet slechts worden getypeerd als doeltreffend, indien deze voldoet aan de wensen van de verzoekende partij. De geschiktheid en noodzaak van een aanpassing moeten aan de hand van objectieve criteria worden vastgesteld, waarbij de mening van de persoon met een handicap of chronische ziekte van groot belang maar niet bij voorbaat doorslaggevend is.
Wat valt volgens de wet onder chronische ziekte of handicap?
De Wgbh/cz bevat geen uitputtende lijst van diagnoses. De begrippen worden in samenhang met het VN-verdrag Handicap uitgelegd. Het gaat om langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die in wisselwerking met drempels de volledige en gelijkwaardige deelname aan de samenleving kunnen belemmeren. Een handicap is in beginsel onomkeerbaar. Een chronische ziekte is soms wel omkeerbaar, maar is in ieder geval langdurig van aard.
Niet zozeer de diagnose telt
Voor het kiezen van een passende oplossing is meestal belangrijker wat de student in de concrete onderwijs- of toetssituatie belemmert dan welke medische naam daarbij hoort. Bovendien heeft of wil niet iedere student die gebaat is bij ondersteuning een diagnose. Een functionele beschrijving van de belemmering, de gevolgen daarvan voor deelname en de ondersteuningsbehoefte geeft daarom vaak meer bruikbare informatie dan uitgebreide medische gegevens. Kijk vooral naar wat de student nodig heeft om gelijkwaardig te kunnen deelnemen, in plaats van naar wat de student heeft.
De grond handicap of chronische ziekte als zodanig is niet nader gedefinieerd. Handicaps en chronische ziekten kunnen fysiek, verstandelijk of psychisch van aard zijn. Een handicap is voorts in beginsel onomkeerbaar. Een chronische ziekte is dat soms niet, maar is in ieder geval langdurig van aard. Bron: Kamerstukken II 2001/02, 28 169, nr. 3, p. 24.
Wat als een ondersteuningsbehoefte pas later in de studie bekend wordt?
De onderzoeksplicht ontstaat zodra de instelling weet dat een student door een handicap of chronische ziekte een belemmering ondervindt en mogelijk een aanpassing nodig heeft. Het maakt niet uit of de behoefte bij de start van de opleiding of pas later in de studie naar voren komt.
Onderzoek de situatie
Breng samen met de student in kaart welke belemmering is ontstaan, welke leeruitkomsten of beroepsvereisten relevant zijn, welke oplossingen mogelijk zijn en of de aanpassing doeltreffend en uitvoerbaar is. Een eerder besluit of het ontbreken van ondersteuning in het verleden is geen reden om een nieuw signaal niet te onderzoeken.
Maak melden laagdrempelig
Studenten weten niet altijd vooraf welke ondersteuning zij nodig hebben. Ook kunnen ondersteuningsbehoeften veranderen. Informeer studenten daarom op meerdere momenten over ondersteuning en procedures, bijvoorbeeld bij de start van de opleiding, vóór toetsperiodes en vóór stages. Gebruik uitnodigende taal en vraag naar ervaren drempels, zonder dat de student direct een diagnose of vaste voorziening hoeft te noemen.
Zodra de behoefte aan een doeltreffende aanpassing kenbaar is gemaakt, geldt een onderzoeksplicht voor de onderwijsinstelling. Het is aan de aanbieder om te onderzoeken of een doeltreffende aanpassing mogelijk is, voorafgaand aan een beslissing om iemand al dan niet de aanpassing te weigeren. […] Overleg en actief handelen is vereist.
Bron: Kamerstukken II 2013/14, 33 990, nr. 3, p. 7
Wat als er twijfel is over de bekwaamheid van de student met een functiebeperking?
Een student moet met eventuele doeltreffende aanpassingen kunnen voldoen aan de essentiële eisen, leeruitkomsten, eindkwalificaties en het niveau van de opleiding. Wanneer dat ook na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is, mag de instelling het niveau of de kern van de opleiding niet te verlagen. De conclusie dat een student niet bekwaam is, vraagt wel om een zorgvuldig onderscheid tussen een essentiële competentie en de gebruikelijke manier waarop die competentie wordt aangeleerd of getoetst.
Onderzoek wat werkelijk essentieel is
Vraag welke kennis, vaardigheid of houding de opleiding precies vereist. Is de gekozen vorm onlosmakelijk verbonden met de beroepscompetentie, of zit hier een bepaalde (uitsluitende) norm aan vast? Bij de competentie presenteren kan het essentiële doel bijvoorbeeld zijn dat een student een boodschap helder, gestructureerd en passend bij het publiek overbrengt. Presenteren voor een grote groep in een fysieke ruimte is dan niet automatisch de enige geldige vorm.
Voorkom normatieve aannames
Leeruitkomsten kunnen onbedoeld uitgaan van één manier van communiceren, bewegen, samenwerken of informatie verwerken. Bespreek zulke aannames met vakdocenten, toetsdeskundigen en waar mogelijk studenten. Een alternatieve vorm is passend wanneer daarmee dezelfde competentie op hetzelfde niveau en met behoud van de validiteit wordt beoordeeld.
Wanneer aanpassing niet mogelijk is
Leg duidelijk vast welke essentiële eisen in het geding zijn, welke aanpassingen zijn onderzocht, waarom die de belemmering niet voldoende wegnemen of de kwaliteit aantasten, en welke deskundigheid bij de beoordeling is betrokken. Een algemene verwijzing naar de aard van de beperking of naar praktische bezwaren is onvoldoende.
Voorbeeld
Een onderwijsinstelling beëindigde de inschrijving van een student met een progressieve hersenziekte bij de opleiding Speltherapie vanwege de toegenomen fysieke beperkingen. De student kon daardoor niet langer voldoen aan alle opleidingseisen, waaronder het volgen van stage, een onmisbaar onderdeel van de opleiding. Er waren geen doeltreffende aanpassingen mogelijk waarmee de stage alsnog kon worden gevolgd en de eindkwalificaties konden worden behaald. Het College voor de Rechten van de Mens oordeelde dat in deze situatie geen sprake was van verboden onderscheid, omdat de student niet kon voldoen aan de essentiële eisen van de opleiding en geen passende aanpassingen mogelijk waren (zie CRM, oordeel 2016-15).
.
Het uitgangspunt in de Wgbh/cz is dat er pas sprake kan zijn van onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte bij het verlenen van toegang tot het onderwijs als vaststaat dat de student geschikt is voor de betreffende opleiding, in de zin van bekwaam, in staat en beschikbaar. Als een student niet bekwaam, in staat of beschikbaar is om bepaald onderwijs te volgen en er geen doeltreffende aanpassing mogelijk is waarmee de beperkingen kunnen worden opgeheven, handelt een onderwijsinstelling niet in strijd met de Wgbh/cz door de student niet toe te laten tot het onderwijs.
Bron: College voor de Rechten van de Mens, oordeel 2023-86
Voor de meeste opleidingen zijn toelatingseisen gesteld. De aanstaande student moet veelal beschikken over een geschikte vooropleiding met – in voorkomend geval – het juiste profiel. Daarnaast gelden er soms zogenaamde aanvullende eisen: daar waar er specifieke kwaliteiten vereist zijn voor een opleiding die niet uit de genoemde getuigschriften blijken, kunnen er bepaalde aanvullende eisen gelden. […] Zo is het noodzakelijk dat een aanstaande student bij de toegang tot de opleiding logopedie moet beschikken over voldoende aanleg en geschiktheid voor de opleiding, gelet op de uitoefening van het beroep. […] Net als bij essentiële functie-eisen bij de arbeid, geldt dat deze eisen geen onderscheid naar handicap of chronische ziekte kunnen opleveren. Het verbod van onderscheid betekent niet dat iemand tot een opleiding moet worden toegelaten die niet in staat is die opleiding te volgen.
Bron: Kamerstukken II 2001/02, 28169, nr. 3, blz. 15.
Hoe ver reikt de zorgplicht van een onderwijsinstelling?
Zodra een student is ingeschreven bij een onderwijsinstelling ontstaat een rechtsverhouding met wederzijdse rechten en plichten. De zorgplicht van de onderwijsinstelling volgt uit een samenstel van bepalingen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en voor studenten met een beperking de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz).
Proactieve verantwoordelijkheid
Zorgplicht betekent niet alleen reageren op formele aanvragen. Procedures moeten vindbaar en begrijpelijk zijn, medewerkers moeten weten waar zij studenten naartoe kunnen verwijzen en signalen over vastlopen moeten serieus worden opgepakt. Wanneer een instelling weet of redelijkerwijs behoort te weten dat een student geen onderwijs volgt of geen studievoortgang boekt, kan van haar worden verwacht dat zij actief contact zoekt en onderzoekt wat er speelt.
Gedeelde verantwoordelijkheid
De student heeft een rol bij het kenbaar maken van een ondersteuningsbehoefte, maar kan niet volledig verantwoordelijk worden gemaakt voor het herkennen, formuleren en organiseren van de juiste ondersteuning. De aard van een beperking, schaamte, eerdere negatieve ervaringen of een ingewikkelde procedure kunnen het vragen om hulp bemoeilijken. Een ondersteunende benadering past daarom bij zorgvuldig handelen.
Werk samen
Een inclusieve uitvoering vraagt om duidelijke samenwerking tussen student, docent, studentendecaan, studieadviseur, examencommissie, toetsdeskundige en ondersteunende diensten. Spreek af wie de student begeleidt, wie de functionele informatie verzamelt, wie het besluit neemt, wie de uitvoering organiseert en hoe wordt geëvalueerd of de oplossing werkt.
Lees verder:
- WHW, onder meer artikelen 1.3, 7.4, 7.13, 7.34 en 7.51
- WEB, onder meer artikelen 7.2.7, 7.4.8, 7.4.9 en 8.1.3a
- artikel 2 Wgbh/cz
Het Kennispunt MBO Passend Onderwijs heeft in samenwerking met andere partijen de ‘Handreiking passend onderwijs in het mbo’ ontwikkeld. De handreiking is bedoeld voor onderwijsteams: wat staat in de wet, welke ruimte is er en hoe kun je daar als onderwijsteam invulling aan geven?
In de handreiking Passend Onderwijs vind je alle informatie die je als student nodig hebt als je gaat studeren in het mbo met een ondersteuningsbehoefte.
In het kader van de zorgplicht mag, wanneer een instelling weet of redelijkerwijs behoort te weten dat een student geen onderwijs volgt en geen studievoortgang boekt, van een redelijk bekwame en redelijk handelende onderwijsinstelling worden verwacht dat zij actief contact zoekt met de student om de studievoortgang te bespreken.
Bron: Rechtbank Overijssel 6 februari 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:502
Is een deskundigenverklaring nodig?
Voor instellingstoetsen in het hbo, wo en mbo schrijft de wet niet voor dat een deskundigenverklaring verplicht is. Een instelling kan binnen de wettelijke kaders beleid vaststellen over de informatie die nodig is om een aanvraag te beoordelen. Voor centrale examens in het mbo gelden wél specifieke landelijke regels over de deskundigenverklaring.
Vraag niet meer dan nodig
Een verklaring is geen doel op zich. De examencommissie moet voldoende informatie hebben om te beoordelen welke belemmering optreedt, of de gevraagde aanpassing nodig is en of de kwaliteit geborgd blijft. Onderzoek daarom eerst of de ondersteuningsbehoefte voldoende kan worden onderbouwd met een functionele beschrijving, eerdere ervaringen, informatie van een studentendecaan of andere relevante gegevens.
Voorkom administratieve drempels
Een verklaring kan tijd, geld en energie kosten. Een bewijsplicht kan studenten uitsluiten die wel een reële ondersteuningsbehoefte hebben, maar moeilijk toegang hebben tot diagnostiek of medische zorg. Beleid moet daarom proportioneel, transparant en consequent worden toegepast.
Leg beleid helder vast
Beschrijf in de OER, het studentenstatuut of andere beleidsregels wanneer aanvullende informatie nodig is, welke informatie wordt gevraagd, wie die mag beoordelen, hoe privacy wordt beschermd en welke alternatieven beschikbaar zijn wanneer een verklaring niet kan worden overgelegd.
Centrale examens in het mbo
Voor de centrale examens geldt de Regeling aangepaste wijze of vorm van examineren centrale examens mbo 2024. Een deskundigenverklaring is daar in bepaalde situaties wel nodig. Voor sommige beperkingen en voor aanpassingen die niet raken aan de voorgeschreven afnamewijze, vorm of inhoud is geen deskundigenverklaring vereist. Raadpleeg steeds het actuele examenjaar op Examenbladmbo voor meer informatie.
In de brochure Passend examineren in het mbo – centrale examens 2025-2026 beschrijft CvTE de verschillende soorten aanpassingen en mogelijkheden voor passend examineren. De brochure legt uit welke ruimte de regels bieden voor het doen van aanpassingen, hoe aanpassingen in de centrale examens bepaalde belemmeringen kunnen wegnemen en welke stappen de examencommissie kan zetten bij het beslissen of een student wel of geen aanpassingen krijgt bij de centrale examens. Let op: de brochure gaat niet over de mbo-instellingsexamens. Daarbij stelt de instelling zelf regels voor passend examineren op. Ook wordt deze brochure jaarlijks vernieuwt. Zoek dus altijd de juiste jaargang.
Moet de examencommissie inzicht hebben in medische documenten?
De examencommissie moet over voldoende informatie beschikken om een zorgvuldig besluit te nemen. Dat betekent niet dat zij standaard een volledig medisch dossier of een diagnose nodig heeft. De noodzakelijke informatie kan vaak functioneel worden beschreven: welke belemmering treedt op, in welke situatie gebeurt dat en welk effect moet een aanpassing hebben?
Focus op wat nodig is
Vraag zo min mogelijk naar wat een student heeft en zo gericht mogelijk naar wat de student nodig heeft om de leeruitkomsten gelijkwaardig te kunnen aantonen. Een verklaring van een studentendecaan of andere deskundige kan bijvoorbeeld beschrijven dat een student door een langdurige aandoening beperkt belastbaar is, zonder alle medische details te delen. Voor instellingstoetsen geldt dat een deskundigenverklaring niet wettelijk verplicht is om voorzieningen aan te vragen.
Samenwerking en toestemming
De studentendecaan of studieadviseur kan een belangrijke schakel zijn tussen de student en de examencommissie. Het delen van informatie gebeurt met toestemming van de student en binnen de privacyregels. Bespreek met de student welke gegevens nodig zijn, wie ze ontvangt en met welk doel. Wanneer de examencommissie aanvullende gegevens nodig heeft, moet zij dat gericht en begrijpelijk motiveren. Zorgvuldige samenwerking voorkomt dat de student telkens opnieuw het volledige verhaal moet vertellen.
Eigen verantwoordelijkheid van de examencommissie
Een advies van een studentendecaan kan zwaarwegend zijn, maar de examencommissie moet zelf kunnen beoordelen of een voorziening doeltreffend is, geen onevenredige belasting vormt en de toetskwaliteit behouden blijft. Zij kan gemotiveerd afwijken van een advies.
De bevoegdheid om al dan niet een voorziening toe te kennen aan een student ligt uitsluitend bij de examencommissie. Dat betekent dat de examencommissie een eigen afweging moet (kunnen) maken en dat de examencommissie gemotiveerd voorbij kan gaan aan het advies van de studentendecaan. Dat de examencommissie in staat moet worden gesteld een eigen afweging te maken in het kader van deze bevoegdheid, betekent naar het oordeel van de Afdeling ook dat zij de beschikking moet hebben over de bescheiden die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het verzoek van een student. Dit betekent dat de studentendecaan de examencommissie desgevraagd moet informeren over zaken die de examencommissie redelijkerwijs nodig heeft om tot een besluit te komen. De studentendecaan heeft daarvoor wel toestemming van de student nodig. Wanneer de studentendecaan die toestemming van de student niet heeft, mag de examencommissie van de student verlangen dat deze de examencommissie hierover zelf informeert. Als de examencommissie niet beschikt over de noodzakelijke bescheiden, loopt de student het risico dat de examencommissie niet tot een volledige beoordeling kan komen en het verzoek afwijst of toewijst op een andere wijze dan de student voor ogen staat of de studentendecaan adviseert.
Bron: Raad van State 20 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3561
Hoe verhoudt een medische verklaring zich tot het sociaal model?
Het medisch model legt de nadruk op een aandoening of diagnose van het individu. Het sociaal model kijkt naar de drempels die in de omgeving ontstaan. Een medische verklaring kan in een individuele procedure soms relevante informatie bieden, maar inclusief onderwijs probeert te voorkomen dat toegang tot onderwijs steeds afhankelijk is van medische bewijsvoering.
Route 1: Inclusief ontwerp
Wanneer toetsen vanaf het begin toegankelijk zijn ontworpen, kunnen meer studenten zonder individuele voorziening deelnemen. Denk aan heldere en tijdig beschikbare instructies, digitaal toegankelijke materialen, een toetsvorm die rechtstreeks aansluit op de leeruitkomsten en mogelijkheden om gelijkwaardige prestaties op een andere passende manier aan te tonen. Voor algemene ontwerpkeuzes is geen medische verklaring nodig.
Route 2: Individueel maatwerk
Wanneer een specifieke belemmering blijft bestaan, kan informatie nodig zijn om een individuele aanpassing te beoordelen. Ook dan hoeft de focus niet op de diagnose te liggen. Functionele informatie over de belemmering, de duur, de context en de benodigde ondersteuning kan voldoende zijn, afhankelijk van het beleid en de concrete aanvraag.
De routes vullen elkaar aan
Een inclusieve basis mag niet worden gebruikt om individuele aanvragen af te wijzen zonder onderzoek. Andersom is het goed dat terugkerende individuele aanvragen niet alleen als losse uitzonderingen worden behandeld. Zij kunnen laten zien waar het standaardontwerp nog onvoldoende toegankelijk is.
Wil je meer informatie over hoe je het onderwijs en toetsing inclusief kan ontwerpen?
Kan de examencommissie een ander orgaan, zoals een studentendecaan, mandateren om voorzieningen toe te kennen?
Mandaat is mogelijk. Een studentendecaan of andere functionaris kan dan namens de examencommissie besluiten nemen binnen de grenzen van het mandaat. De examencommissie behoudt haar wettelijke bevoegdheid en verantwoordelijkheid. Voor studenten moet duidelijk zijn dat het besluit namens de examencommissie wordt genomen.
Gebruik mandaat voor toegankelijkere procedures
Goed ingericht mandaat kan de doorlooptijd verkorten en voorkomen dat studenten voor veelvoorkomende voorzieningen een onnodig zware procedure moeten doorlopen. Beschrijf welke standaardvoorzieningen onder het mandaat vallen, wanneer een aanvraag aan de examencommissie wordt voorgelegd en hoe uitzonderingen worden behandeld.
Borg kwaliteit en rechtszekerheid
Zorg voor heldere criteria, deskundigheid, verslaglegging, privacybescherming en periodieke controle door de examencommissie. Besluiten moeten consistent, gemotiveerd en herleidbaar zijn. De student moet weten bij wie vragen kunnen worden gesteld en welke bezwaar- of beroepsmogelijkheden bestaan.
Gebruik signalen voor inclusief ontwerp
Gegevens over gemandateerde besluiten kunnen zichtbaar maken welke voorzieningen vaak nodig zijn. Analyseer die patronen geanonimiseerd. Wanneer veel studenten dezelfde aanpassing aanvragen, kan een structurele aanpassing van de toets of organisatie passender zijn.
Lees verder:
De bevoegdheid om al dan niet een voorziening toe te kennen aan een student ligt uitsluitend bij de examencommissie en niet bij de studentendecaan.
Bron: CBHO 2019/096
Wat als examencommissies weinig of géén voorzieningen toekennen?
Een laag aantal toegekende voorzieningen is niet automatisch goed of fout. Het kan betekenen dat toetsen inclusief zijn ontworpen en weinig individuele aanpassingen nodig zijn. Het kan ook wijzen op onbekendheid, een moeilijk toegankelijke aanvraagprocedure, een hoge bewijslast, terughoudendheid om een beperking bekend te maken of een te strenge toepassing van de wettelijke kaders.
Kijk verder dan aantallen
Onderzoek hoeveel aanvragen worden gedaan, hoeveel worden toegekend of afgewezen, welke redenen voor afwijzing worden gebruikt, welke voorzieningen studenten daadwerkelijk benutten en welke signalen studentendecanen, docenten en studenten geven. Kijk ook naar studievoortgang, uitval, klachten en beroepen.
Controleer de besluitvorming
Verzoeken moeten individueel, objectief, deskundig en zorgvuldig worden beoordeeld. Een examencommissie mag niet op voorhand besluiten dat een bepaalde voorziening nooit mogelijk is. Beleid moet ruimte laten voor de concrete omstandigheden van de student en voor alternatieven die hetzelfde doel bereiken.
Betrek studenten
Vraag studenten niet alleen of zij een voorziening hebben gekregen, maar ook of de procedure vindbaar en veilig voelde, of zij zich gehoord voelden en of de voorziening in de praktijk werkte. Een inclusieve kwaliteitscyclus combineert juridische naleving met ervaringen van studenten.
Lees verder:
Wat als een student het niet eens is met een beslissing van de examencommissie?
Een student kan tegen een beslissing van de examencommissie beroep instellen. In het hoger onderwijs gebeurt dit bij het College van Beroep voor de Examens (artikel 7.61 WHW). In het mbo kan beroep worden ingesteld bij de Commissie van Beroep voor de Examens (artikel 7.5.4 WEB). Afhankelijk van de beslissing van het CBE kan daarna beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mogelijk zijn. Een student die discriminatie vermoedt, kan daarnaast het College voor de Rechten van de Mens om een oordeel vragen.
Maak rechtsbescherming toegankelijk
Een besluit moet in begrijpelijke taal vermelden wat is besloten, welke feiten en belangen zijn meegewogen, waarom een aanpassing wel of niet doeltreffend is, welke alternatieven zijn onderzocht en hoe de student beroep kan instellen. Vermeld de termijn, de contactgegevens en waar de student ondersteuning kan krijgen.
Leer van geschillen
Een klacht, bezwaar of beroep kan ook een signaal zijn over beleid, communicatie of toetsontwerp. Bespreek geanonimiseerde casuïstiek periodiek en vertaal terugkerende knelpunten naar verbeteringen.
Grenzen van beroep
De rechter beoordeelt niet zonder meer opnieuw het inhoudelijke cijfer of de vakinhoudelijke beoordeling van het kennen en kunnen. Wel kan worden getoetst of een besluit zorgvuldig is voorbereid, voldoende is gemotiveerd en in overeenstemming is met de toepasselijke regels en beginselen.
Op grond van artikel 8:4, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht staat geen beroep open tegen besluiten die een beoordeling bevatten van het kennen of kunnen van een student, of die zien op de vaststelling van examenvragen, beoordelingsnormen of andere regels voor de toetsing. Met andere woorden: de inhoudelijke beoordeling van een tentamen of examen, bijvoorbeeld het toegekende cijfer of het aantal punten voor een antwoord, kan niet inhoudelijk worden aangevochten. Ook de inhoud van de vragen zelf, de normering of de beoordelingssystematiek kan niet via beroep worden aangevochten. Er wordt alleen getoetst of het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en of de relevante wettelijke en procedurele kaders correct zijn toegepast.
Mag een examencommissie een eerder besluit over een toetsvoorziening herzien als de uitvoering complex of kostbaar blijkt?
Een formeel besluit kan niet lichtvaardig worden ingetrokken alleen omdat de uitvoering achteraf duurder, complexer of organisatorisch onhandiger blijkt. De student mag in beginsel op het besluit vertrouwen. Daarom moet de examencommissie vóór het besluit voldoende informatie verzamelen over de inhoudelijke, financiële en organisatorische gevolgen.
Stem vooraf af
De examencommissie blijft onafhankelijk in haar wettelijke beoordeling, maar kan en moet relevante uitvoeringsinformatie opvragen bij docenten, het instellingsbestuur en ondersteunende diensten. Maak duidelijk onderscheid tussen advies over uitvoerbaarheid en de uiteindelijke beslissing over de voorziening.
Leg interne problemen niet bij de student
Wanneer een rechtsgeldig besluit is genomen, zijn de uitvoering en financiering een verantwoordelijkheid van de instelling. Interne onduidelijkheid over budgetten, personeel of eigenaarschap mag niet zonder meer leiden tot het vervallen van de ondersteuning.
Maak de oplossing structureel
Wanneer een individuele voorziening vaker wordt toegekend en telkens veel organisatie vraagt, kan standaardisering of inclusief herontwerp de uitvoering eenvoudiger, voorspelbaarder en toegankelijker maken.
Wat als er steeds meer studenten voorzieningen aanvragen?
Een groeiend aantal aanvragen neemt de wettelijke verplichting om individuele verzoeken zorgvuldig te beoordelen niet weg. Tegelijk is een toename waardevolle informatie. Zij kan laten zien dat een standaardtoets, planning of toetsomgeving voor een grotere groep studenten onnodige drempels bevat.
Analyseer patronen
Breng geanonimiseerd in kaart welke voorzieningen vaak worden gevraagd, bij welke toetsvormen en opleidingen dit gebeurt, welke belemmeringen studenten noemen en in hoeverre voorzieningen worden gebruikt en effectief zijn. Betrek hierbij studentendecanen, examencommissies, docenten en studenten.
Versterk de inclusieve basis
Wanneer veel studenten extra tijd nodig hebben, onderzoek dan of de tijdsdruk werkelijk onderdeel is van de leeruitkomst. Wanneer veel studenten een rustige ruimte aanvragen, kijk dan naar de inrichting en spreiding van de reguliere toetsomgeving. Wanneer alternatieve toetsvormen vaak nodig zijn, onderzoek dan of variatie al in het standaardtoetsprogramma kan worden opgenomen.
Blijf maatwerk bieden
Een groepsgerichte of structurele oplossing kan veel studenten helpen, maar vervangt niet automatisch het individuele recht op een doeltreffende aanpassing. Sommige studenten blijven aanvullende of intensievere ondersteuning nodig hebben.
Schaarste vraagt om creativiteit en planning
Een voorziening kan schaars zijn, maar schaarste is geen algemene afwijzingsgrond. Onderzoek alternatieven, investeer in capaciteit waar terugkerende vraag dat rechtvaardigt en maak vooraf afspraken over prioritering, uitvoering en evaluatie. De gekozen oplossing moet de individuele belemmering voldoende wegnemen.
Lees verder:
Hoe zwaar weegt de bereidheid van docenten om mee te werken aan een oplossing?
De uitvoering van een rechtsgeldig besluit van de examencommissie is niet afhankelijk van de persoonlijke bereidheid van een docent of examinator. De docent heeft wel belangrijke inhoudelijke expertise en moet worden betrokken wanneer moet worden beoordeeld of een alternatieve vorm dezelfde leeruitkomsten en hetzelfde niveau borgt.
Duidelijke rolverdeling
De docent of examinator adviseert over vakinhoud, leeruitkomsten en beoordelingscriteria. De examencommissie neemt zelfstandig het besluit over de individuele voorziening en borgt de kwaliteit van toetsing en procedures. De instelling zorgt dat een toegekende voorziening uitvoerbaar wordt georganiseerd.
Neem inhoudelijke bezwaren serieus
Wanneer een docent gemotiveerd uitlegt dat een specifieke vorm een essentiële competentie niet toetst of de betrouwbaarheid en het niveau aantast, moet de examencommissie dit zwaar meewegen. Dat betekent niet automatisch dat iedere aanpassing wordt afgewezen. Onderzoek samen welke andere vorm de belemmering kan wegnemen en de kwaliteit wel behoudt.
Werk ook vóór aanvragen samen
Duurzame inclusie ontstaat wanneer docenten, toetsdeskundigen, examencommissies, studentendecanen, studieadviseurs en studenten al bij het ontwerpen en evalueren van onderwijs en toetsen samenwerken. Dan hoeft de discussie niet pas te beginnen wanneer een individuele student vastloopt.
Investeer in toerusting
Onzekerheid of weerstand kan voortkomen uit gebrek aan kennis, tijd of goede voorbeelden. Bied professionals daarom scholing, toetsdeskundige ondersteuning, heldere kaders en ruimte om alternatieven te ontwikkelen en te evalueren.
Wat als leerdoelen niet op een andere manier kunnen worden getoetst?
Begin bij de leeruitkomst en niet bij de bestaande toetsvorm. Een alternatieve toetsvorm is mogelijk wanneer zij dezelfde kennis, vaardigheden of houding op hetzelfde niveau en met voldoende betrouwbaarheid en validiteit beoordeelt. Wanneer de vorm zelf onderdeel is van de competentie, kan de ruimte beperkter zijn.
Kwaliteit blijft de grens
Een aanpassing mag de eindkwalificaties, essentiële competenties en het vereiste niveau niet verlagen. Juist daarom is het belangrijk om scherp te formuleren wat de toets werkelijk moet meten. Maak daarbij onderscheid tussen de leeruitkomst en de gekozen manier waarop de student deze moet aantonen. Niet ieder onderdeel van een bestaande toetsvorm is automatisch essentieel. Wanneer bijvoorbeeld het helder en gestructureerd overbrengen van een boodschap wordt getoetst, hoeft presenteren voor een grote groep niet noodzakelijk onderdeel van de competentie te zijn. Mogelijk kan de student dezelfde competentie aantonen in een kleinere setting, in een digitale presentatie of met een andere passende vorm. Een alternatieve toetsvorm verlaagt de kwaliteit dus niet wanneer daarmee dezelfde leeruitkomsten op hetzelfde niveau, onder vergelijkbare beoordelingsvoorwaarden en met dezelfde beoordelingscriteria worden getoetst.
Stap 1
Formuleer wat wordt gemeten. Beschrijf concreet welke prestatie de student moet laten zien. Maak onderscheid tussen de essentiële competentie en bijkomende kenmerken van de huidige afname. Vraag bijvoorbeeld of snelheid, spreken voor een grote groep of fysieke aanwezigheid werkelijk onderdeel is van het leerdoel.
Stap 2
Onderzoek gelijkwaardige vormen. Bepaal welke andere vormen dezelfde informatie over de beheersing kunnen opleveren. Een mondelinge toets, schriftelijk product, digitale presentatie, praktijkdemonstratie, portfolio of criteriumgericht gesprek kan in sommige situaties een gelijkwaardig alternatief zijn. Niet iedere vorm past bij iedere leeruitkomst.
Stap 3:
Borg de kwaliteit. Gebruik dezelfde leeruitkomsten en beoordelingscriteria, stel een vergelijkbare moeilijkheidsgraad vast, organiseer deskundige beoordeling en voorkom dat de alternatieve vorm een inhoudelijk voordeel of nadeel oplevert. Documenteer waarom de gekozen vorm gelijkwaardig is.
Stap 4:
Evalueer. Bespreek na afloop of de vorm de beoogde competentie goed zichtbaar maakte, de belemmering voldoende wegnam en uitvoerbaar was. Gebruik deze kennis bij toekomstige individuele aanvragen en bij het structureel ontwerpen van toetsen.
Wanneer geen alternatief mogelijk is
Leg vakinhoudelijk uit waarom de vorm en de leeruitkomst onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Een algemene uitspraak dat een toets altijd op deze manier wordt afgenomen is geen inhoudelijke onderbouwing.
Wil je meer informatie over hoe je het onderwijs en toetsing inclusief kan ontwerpen?
Hebben studenten recht op een extra toetskans?
Studenten hebben niet automatisch recht op een extra toetskans. Het aantal reguliere kansen en de voorwaarden voor bijzondere of extra kansen worden in de OER vastgelegd. Een examencommissie moet een individueel verzoek wel zorgvuldig beoordelen en rekening houden met bijzondere omstandigheden, studeerbaarheid en de evenredigheid van de gevolgen.
Studeerbaarheid en evenredigheid
Een opleiding moet zo zijn ingericht dat studenten redelijkerwijs binnen de nominale studieduur kunnen afstuderen (Artikel 7.4 WHW, artikel 7.2.7 WEB). Wanneer het weigeren van een extra kans tot zeer ernstige of disproportionele studievertraging leidt, moet de examencommissie de concrete belangen en de uitvoerbaarheid zorgvuldig afwegen en haar besluit overtuigend motiveren.
Artikel 7.13, tweede lid, van de WHW, noch een andere bepaling van de WHW schrijft voor dat elke toets die meetelt voor het eindcijfer van een vak moet kunnen worden herkanst. […] Wel moet een opleiding studeerbaar zijn als bedoeld in artikel 7.4, tweede lid, van de WHW, in welk kader van belang kan zijn of de mogelijkheid bestaat herkansingen af te leggen.
Bron: CBHO 2017/008
Uitspraken van de Raad van State extra toetskans wegens disproportionele studievertraging:
Is aanwezigheid verplicht?
De WHW kent geen algemene wettelijke aanwezigheidsplicht voor alle onderwijsactiviteiten. Ook de WEB kent niet één uniforme aanwezigheidsplicht voor iedere mbo-activiteit. Wel kunnen instellingen gemotiveerde regels stellen over aanwezigheid en actieve deelname. In het hbo en wo moet een verplichting rond praktische oefeningen en de gevolgen daarvan voldoende duidelijk in de OER of een daarop gebaseerde regeling zijn vastgelegd. Voor het mbo gelden andere regels, die afhankelijk van verschillende factoren, zoals de leeftijd van de student.
Begin bij het leerdoel
Vraag waarom aanwezigheid nodig is. Is samenwerken in het moment, veilig praktisch handelen, professionele interactie of deelname aan een specifieke oefening zelf onderdeel van de competentie? Of wordt aanwezigheid vooral gebruikt als middel om betrokkenheid te stimuleren? Aanwezigheid is geen leerdoel op zichzelf.
Onderzoek alternatieven
Wanneer de fysieke aanwezigheid niet essentieel is voor de leeruitkomst, kan soms een andere vorm van deelname of bewijs worden aangeboden. Denk aan online deelname, een andere werkgroep, een vervangende activiteit, een opname, een individuele demonstratie of een zelfstandige opdracht. Het alternatief moet dezelfde leeruitkomst en hetzelfde niveau borgen.
Wees transparant en voorspelbaar
Beschrijf in de OER welke aanwezigheid of actieve deelname vereist is, voor welke onderwijsactiviteiten dat geldt, waarom dit nodig is, welke gevolgen afwezigheid heeft en welke procedure geldt bij bijzondere omstandigheden of een ondersteuningsbehoefte.
Met diverse instrumenten kunnen instellingen in het hoger onderwijs, regelingen treffen voor studenten met een ondersteuningsbehoefte, waaronder zwangere studenten. Dit kunnen ho-instellingen zelf als maatwerk organiseren want, in tegenstelling tot het mbo, kent het hoger onderwijs geen wettelijke aanwezigheidsplicht. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35252-23.pdf, p. 1
Algemene juridische disclaimer
Deze FAQ geeft algemene informatie en praktische richting. De tekst is geen individueel juridisch advies. De toepasselijke wet- en regelgeving, de OER, het studentenstatuut, instellingsbeleid en de omstandigheden van het concrete geval blijven bepalend. Controleer of wetsartikelen, procedures, jurisprudentie en externe verwijzingen nog actueel zijn.
dd
Heb je een vraag die niet in de FAQ beantwoord wordt?
Geen probleem! Stuur je vraag in via onderstaand formulier.
