Discussieleidraad | Sociaal versus medisch model

“Wat heb je (nodig) om succesvol te studeren?.“
Inleiding
Deze discussieleidraad biedt een kritische reflectie op de huidige benadering van ondersteuning voor studenten met een ondersteuningsbehoefte in het hbo/wo. Het gaat in op het verschil tussen het medische model en het sociale model van handicap. De nadruk ligt daarbij op de vraag “Wat heb jij nodig?” in plaats van “Wat heb je?” De leidraad daagt onderwijsprofessionals uit om na te denken over hoe ze studenten kunnen aanmoedigen om aan te geven welke aanpassingen hen het beste helpen om succesvol te studeren, in plaats van te focussen op een medische diagnose. Het biedt ook inzicht in de noodzaak van een inclusieve benadering in het onderwijs, ondersteund door het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en benadrukt het belang van het aanpassen van het onderwijs aan de behoeften van de studenten, niet andersom.
Doelgroep
De discussieleidraad is bedoeld voor onderwijsprofessionals in het hbo/wo, waaronder CvB-leden, docenten, studentendecanen, leden van examencommissies, en medewerkers van ondersteunende diensten. Het richt zich ook op beleidsmakers en andere betrokkenen die verantwoordelijk zijn voor de ondersteuning van studenten met een ondersteuningsbehoefte. Het biedt inzichten voor iedereen die betrokken is bij het verbeteren van de toegankelijkheid en inclusiviteit in het hbo/wo, met een focus op het ondersteunen van studenten die te maken hebben met studiebelemmeringen als gevolg van een ondersteuningsbehoefte.
Doel
Deze discussieleidraad helpt je als onderwijsprofessional na te denken over de manier waarop je studenten met een functiebeperking het beste kunnen ondersteunen tijdens hun studie. De leidraad biedt handvatten voor het voeren van gesprekken over de vraag hoe je je benadering kunt aanpassen van het medische model naar het sociale model van handicap.
Door de nadruk te leggen op wat studenten nodig hebben om succesvol te kunnen studeren, in plaats van wat ze “hebben”, moedigt deze leidraad aan tot een inclusievere en toegankelijkere leeromgeving. Het doel is om een constructieve discussie op gang te brengen over hoe we als onderwijsinstellingen de barrières voor studenten kunnen wegnemen en hen kunnen helpen hun volledige potentieel te bereiken.
Vraag: wat heb je?
Focus op beperking
In een gesprek over voorzieningen met een student lijkt de vraag ‘Wat heb je?’, ofwel een student vragen naar zijn of haar functiebeperking of chronische ziekte, relevant en voor de hand liggend. Deze vraag wordt dan ook vaak aan studenten gesteld. Daarbij wordt de student, om aanspraak te kunnen maken op voorzieningen, verplicht om een medische verklaring of dyslexieverklaring te overhandigen. Hiermee toont hij of zij aan dat de functiebeperking formeel gediagnosticeerd is door een erkende (medische) instantie. Uiteenlopende (functie)beperkingen leiden echter tot dezelfde studiebelemmeringen. Het is daarom interessant om te zoeken naar de redenen van deze vraag. En welke consequenties het antwoord daarop heeft.
De vraag achter de vraag
Waarom wordt een student gevraagd om formeel aan te tonen ‘wat hij heeft’?
- Is het een kwestie van beeldvorming, om in staat te zijn om een heldere profielschets te maken van de student en deze te kunnen indelen in een bepaalde categorie?
- Is het een vorm van ‘denken voor de student’, al of niet vanuit een moreel oordeel: ‘Vertel me wat je hebt, dan weet ik wat goed voor je is’?
- Is de sleutelfiguur (de vraagsteller) in staat om op basis van zijn kennis over de functiebeperking van de student de juiste voorzieningen te geven?
- Is er sprake van beleid of een protocol dat gebaseerd is op een directe relatie tussen dat wat je hebt, en dat wat je nodig hebt? Zoals: een student met dyslexie krijgt per definitie een half uur extra tentamentijd.
- Komt het voort uit de vrees dat anders ‘iedereen’ een beroep gaat doen op voorzieningen?
- Is het de verwachting van de student? “Ik vertel wat ik heb, dan krijg ik wat ik nodig heb”.
- Zijn er nog andere redenen?
De vraag: wat heb jij nodig?
Focus op studiebelemmeringen
Tegenover de focus op beperkingen staat de focus op belemmeringen. Veel onderwijsinstellingen en ECIO richten zich in visie en activiteiten op de studiebelemmeringen die studenten met een functiebeperking ondervinden tijdens het studeren aan een hogeschool of universiteit.
Het uitgangspunt daarbij is dat studiebelemmeringen kunnen worden gecompenseerd door (redelijke) aanpassingen en voorzieningen, zoals extra tijd, (digitale) hulmiddelen en extra menskracht voor begeleiding, training en ondersteuning.
Mensenwerk van sleutelfiguren
Het voorkomen of verminderen van de impact van de studiebelemmering op het studiesucces van de student is per definitie mensenwerk.
Sleutelfiguren binnen de instelling én de student zelf spelen hierin een hoofdrol. Deze sleutelfiguren zijn de studentendecanen, die met de student inventariseren aan welke voorziening hij of zij behoefte heeft. En daarnaast de studie(loopbaan)begeleiders, docenten, leden van examencommissies, beleidsmedewerkers, managers, voorlichters en bestuurders die handen en voeten geven aan deze voorzieningen.
Vragen naar de behoefte
Benader je een student over de studiebelemmeringen die hij of zij ondervindt, dan stel je in wezen deze vragen centraal:
- Waar heb jij, als student (met een functiebeperking), behoefte aan?
- Wat kunnen wij, als onderwijs, aan onze werkwijze, procedures of organisatie veranderen/aanpassen waardoor jij als student (met een functiebeperking) kunt studeren en participeren?
Relatie tussen de vragen en wetenschappelijke modellen
De context
CIO ondersteunt stakeholders, of sleutelfiguren, in hun verantwoordelijkheid voor, betrokkenheid bij en visie op de uitvoering van het beleid ‘Studeren met een handicap’ binnen iedere hogeschool en universiteit. Het ultieme doel dat daarbij voor ogen staat is de ontwikkeling van toekomstbestendig inclusief hbo/wo.
De gemeenschappelijke kaders van de samenwerking tussen ECIO en sleutelfiguren in het hoger onderwijs worden gevormd door vastgestelde wet- en regelgeving, zoals de Wet Gelijke Behandeling op grond van handicap en chronische ziekte (WGBh/cz), de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW), het VN-verdrag inzake personen met een handicap.
Daarnaast zijn de zeven Maatstafthema’s (Meer mogelijk maken, Studeren met een functiebeperking in het hoger onderwijs. Advies van de Commissie Maatstaf i.o.v. OCW, 2010.) en het beleid van het Ministerie van OCW voor passend en inclusief (hoger)onderwijs leidend. Ook onderwijskundige uitgangpunten zoals Universal Design for Learning en wetenschappelijke modellen zijn bepalend voor deze kaders. Hoewel er meerdere wetenschappelijke modellen worden gehanteerd om naar handicaps te ‘kijken’, beperken we ons in dit artikel tot het medisch model en het sociaal model.
Medisch model: wat mankeert jou?
Het medische model legt ‘het probleem’ bij het individu (de student met een functiebeperking).
Wanneer je dit model strikt volgt, krijgt (of houdt) de medische wereld een belangrijke verantwoordelijkheid voor de deelname van de student met een functiebeperking aan het onderwijs. Hiermee zegt de onderwijsinstelling namelijk in wezen:
- de beperking moet gediagnosticeerd kunnen worden en meetbaar zijn door een medische instantie, buiten de school
- dankzij deze diagnose mag de student standaard hulpmiddelen gebruiken om de handicap te minimaliseren (cf. de ‘diagnosebehandelcombinatie’ DBC)
- de kwaliteit van de studie wordt verbeterd omdat met een eenvoudig extra hulpmiddel, zoals een voorleesprogramma
- of een half uur extra tentamentijd, de functiebeperking van de student wordt gecompenseerd en de student daarmee
- zo ‘normaal’ mogelijk kan studeren, net als elke andere student.
Dit zal keer op keer, voor iedere student afzonderlijk, bepaald moeten worden. Het voordeel hiervan is dat je als sleutelfiguur geen ‘missers’ maakt omdat dat wat de student beweert te mankeren, bevestigd wordt door een arts/specialist. En dit gebeurt onafhankelijk, buiten de deur. Toekenning van de voorziening is op basis daarvan legitiem en voorkomt twijfel bij bijvoorbeeld de examencommissie.

Sociale model: waar heb je behoefte aan?
Bij het sociale model draait het om inclusie en om de relatie tussen de persoon en zijn omgeving, de samenleving (de onderwijsomgeving). Leren omgaan met een functiebeperking/handicap is niet alleen de verantwoordelijkheid van het individu, van de student, maar ook die van de samenleving.
Lees: die van de onderwijsinstelling.
Het VN-verdrag inzake personen met een handicap, dat sinds 14 juli 2016 ook in Nederland van kracht is, is feitelijk gebaseerd op het sociale model. Ontwikkelingen als Passend Onderwijs en de Participatiewetgeving komen hier ook uit voort. Vanuit die visie kijkt ECIO ook naar de studiebelemmeringen, en daarmee naar de vraag: ‘Waar heb je behoefte aan?’. De omgeving heeft de verantwoordelijkheid om de belemmering te reduceren, of liever nog: te voorkomen.
Als een student zich meldt met de mededeling dat hij/zij op enige wijze belemmerd wordt in het studeren, formuleer dan de volgende vragen:
- Welke ‘omgeving’ (het gebouw, de digitale leeromgeving, het lesrooster, de didactische werkvorm, de wijze van toetsing enzovoort) veroorzaakt de door de student aangegeven belemmering?
- Neemt de voorgestelde aanpassing of voorziening deze belemmering weg (In sommige gevallen is dit lastig te voorspellen; de voorziening kan dan in eerste instantie tijdelijk worden toegekend, waarna evaluatie van het effect plaatsvindt.) en worden daardoor de leercondities van de student geoptimaliseerd (waardoor de kans op succes toeneemt)? Met andere woorden: is de aanpassing ‘noodzakelijk en geschikt’?
- Kan deze aanpassing of voorziening tot ‘standaard’ worden verheven, zodat ook anderen daarvan kunnen profiteren en belemmeringen in de toekomst worden voorkomen?
Redenerend vanuit het sociale model is er geen nut en noodzaak van een medische verklaring om het recht op voorzieningen aan te tonen. Vanzelfsprekend worden geen concessies gedaan aan (het niveau van) de te behalen competenties.

Voor onderwijsprofessionals is (nog) niet altijd duidelijk vanuit welk standpunt gekeken dient te worden naar de belemmeringen die studenten met een functiebeperking ondervinden bij het studeren. Hanteer je het medische model, dan ligt het probleem vooral bij de student en word je geacht bij te dragen aan de oplossing van dat probleem, door het beschikbaar stellen van ‘voorzieningen’. Hanteer je echter het sociale model, dan ligt het probleem opeens bij jou. Het accent komt te liggen bij voorkómen in plaats van bij oplossen van problemen.
Welk standpunt neem je in, als onderwijsinstelling en als individuele docent? Die discussie dient gevoerd te worden en dit artikel biedt daarvoor de nodige aanknopingspunten en argumenten.
We hopen hiermee een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van toekomstbestendig inclusief hbo/wo en toename van de participatie van mensen met een functiebeperking aan zowel het hbo/wo als aan de maatschappij als geheel.
