Intentieverklaring VN-verdrag Handicap

“Samen bouwen aan écht inclusief onderwijs.”
Maak je onderwijsinstelling toekomstbestendig en echt inclusief! Sluit je aan bij de landelijke beweging voor toegankelijk en inclusief onderwijs door de Intentieverklaring VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap te ondertekenen.
Landelijke werkgroepen VN-verdrag
Door te tekenen sluit jouw instelling zich aan bij een van de twee landelijke werkgroepen:
In beide werkgroepen werken onderwijsinstellingen samen aan de implementatie en borging van de doelen van het VN-verdrag Handicap. ECIO ondersteunt deze werkgroepen met kennis, advies en praktische tools.
Waarom deze intentieverklaring?
Met de ondertekening bevestigt jouw instelling dat zij:
- zich inzet voor een onderwijssysteem waarin elke student welkom is en gelijke kansen krijgt.
- de uitgangspunten van het VN-verdrag omarmt, zoals toegankelijkheid, participatie en respect voor ieders mogelijkheden.
- actief werkt aan beleid en activiteiten die bijdragen aan een inclusief leerklimaat, samen met andere instellingen en partners binnen mbo of hbo/wo.
Wat betekent dit concreet?
Ondertekenende instellingen committeren zich aan:
- Het wegnemen van drempels in onderwijs en digitale leeromgevingen.
- Het bieden van redelijke aanpassingen, zodat studenten met een beperking gelijkwaardig kunnen deelnemen.
- Het versterken van kennisdeling, deskundigheidsbevordering en gezamenlijke beleidsontwikkeling.
- Samenwerking met ECIO en koepelorganisaties zoals MBO Raad, Vereniging Hogescholen en Universiteiten van Nederland.
Jouw volgende stap
Wil je meewerken aan onderwijs waarin elke student zich gezien, gesteund en geaccepteerd voelt? Teken de Intentieverklaring VN-verdrag en sluit je aan bij de landelijke werkgroep mbo of werkgroep hbo/wo. Samen bouwen we aan echt inclusief onderwijs.
Meer over de intentieverklaring
Hieronder zetten we de kaders, ambities, doelstellingen en procesafspraken van de intentieverklaring uiteen. Sommige aspecten hebben (alleen) betrekking op (enkel) het hbo/wo, andere aspecten op het mbo.
Kaders
De ondertekenende partijen constateren dat:
- De Staat der Nederlanden in 2016 het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap heeft geratificeerd (hierna: Verdrag). Grondbeginselen van dit Verdrag zijn onder meer de persoonlijke autonomie, non-discriminatie, volledige en daadwerkelijke participatie, gelijke kansen, toegankelijkheid en respect voor de zich ontwikkelende capaciteiten van personen met een beperking.
- Artikel 24 van dit Verdrag het recht van personen met een handicap op onderwijs benadrukt.
- Artikel 24 van dit Verdrag de Staten die partij zijn onder meer oproept om dit recht te verwezenlijken door middel van het waarborgen van een inclusief onderwijssysteem op alle niveaus (van primair tot hbo/wo onderwijs).
- Artikel 24 lid 5 van dit Verdrag specifiek ingaat op het verschaffen van redelijke aanpassingen aan personen met een handicap in het algemeen universitair en hbo, zodat zij zonder discriminatie en op voet van gelijkheid met anderen onderwijs kunnen volgen.
- Algemeen commentaar 4 van dit verdrag nadere uitleg geeft over elementen van inclusief onderwijs en hoe dit te implementeren.
- Bedrijven, maatschappelijke organisaties, ervaringsdeskundigen en overheden voor de implementatie van het Verdrag de afgelopen jaren samen hebben gewerkt aan een landelijke beweging richting meer toegankelijkheid en inclusie. Toegankelijk en inclusief onderwijs is binnen deze aanpak één van de thema’s. Deze aanpak is recent verlengd en vernieuwd voor de periode 2022 – 2025.
De ondertekenende onderwijsinstellingen constateren verder dat:
- de Wet gelijke behandeling op grond van handicap en chronische ziekte (Wgbh/cz) vraagt om geleidelijk zorg te dragen voor de algemene toegankelijkheid voor personen met een handicap of chronische ziekte, tenzij dat voor hen een onevenredige belasting vormt.
- de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW) opleidingen voorschrijft om “de wijze waarop lichamelijk of zintuiglijk gehandicapte studenten redelijkerwijs in de gelegenheid worden gesteld de tentamens af te leggen” in een onderwijs- en examenregeling (OER) vast te leggen.
- sinds 2011 de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een beperking als beoordelingscriterium is opgenomen in het accreditatiekader van het hoger onderwijs.
- het Referentiekader, opgesteld door de Commissie Maatstaf, voor het hoger onderwijs als handreiking dient om beleid aangaande studeren met een beperking verder te ontwikkelen en te versterken.
- de Wet Passend onderwijs zegt dat ook in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) een zo passend mogelijke plek moet zijn voor iedere student. Bij het inrichten van het onderwijs wordt al bij de start van de opleiding rekening gehouden met de ondersteuningsbehoeften van de student.
- de Wet educatie beroepsonderwijs artikel 1.3.5 bepaalt dat instellingen mede zorg dragen voor de toegankelijkheid van het onderwijs, in het bijzonder door gelijke kansen te bieden.
Ambitie
De ondertekenende partijen spreken uit dat zij:
- een inclusieve onderwijsinstelling willen zijn, waar elke student op voet van gelijkheid met andere studenten aan het onderwijs deelneemt en elke student ongeacht achtergrond zich welkom en geaccepteerd voelt.
- daartoe op het terrein van onderwijs activiteiten uitvoeren ten behoeve van de verwezenlijking van de algemene toegankelijkheid.
- daartoe op het terrein van onderwijs doelstellingen en activiteiten verbinden die aansluiten op de gezamenlijke aanpak van de Staat en bestuurlijke partners voor de implementatie van het Verdrag. Daartoe onderling samenwerken om kennis te delen en beleid te ontwikkelen waarmee inclusie in het onderwijs wordt vergroot en versterkt.
Doelstellingen
De doelstellingen van ondertekende partijen zijn:
- De verschillende elementen van inclusief onderwijs, zoals beschreven door de Verenigde Naties in algemeen commentaar 4 over het recht op inclusief onderwijs. Deze worden in acht genomen bij het implementeren van het VN-verdrag. Zoals beschreven in het verdrag, wordt uitgegaan van het streven naar deze elementen, tenzij dit een onevenredige belasting vormt voor de onderwijsinstelling. Deze elementen van inclusief onderwijs zijn:
- “Whole systems” benadering: Het ministerie van onderwijs zet in op verandering in de cultuur, het beleid en de praktijk zodat het volledige onderwijssysteem inclusief is.
- “Whole educational environment” benadering: Commitment van de bestuurlijke top van onderwijsinstellingen is essentieel om de volledige onderwijsomgeving inclusief te maken.
- “Whole person” benadering: Ieders leercapaciteiten worden erkend in flexibele curricula en leermethodes, zodat alle leerstrategieën bediend worden. Dit impliceert het aanbieden van ondersteuning en redelijke aanpassingen en vroege interventie om ervoor te zorgen dat alle studenten zich maximaal kunnen ontwikkelen. Het onderwijssysteem past zich aan de student aan en niet omgekeerd.
- Bij de inrichting van het onderwijs streven de partijen naar inclusiviteit, waarbij onder andere aandacht is voor flexibiliteit in het curriculum, deskundigheidsbevordering van alle medewerkers, informatievoorziening, internationalisering, digitalisering en de voorbereiding op en overgang naar de arbeidsmarkt.
- Medewerkers worden in gelegenheid gesteld zich te professionaliseren, onder andere op het gebied van didactiek en attitude, om bij te dragen aan een inclusief onderwijsklimaat.
Procesafspraken
De ondertekenende partijen spreken af om:
- deel te nemen aan de werkgroep mbo of de werkgroep hbo/wo, die actief kansen zoekt om nieuwe impulsen te geven aan beleid ter ondersteuning van studenten met een ondersteuningsvraag en beleid ter realisering van een inclusieve onderwijsinstelling.
- als werkgroep ondersteund door Expertisecentrum inclusief onderwijs (ECIO) doelstellingen en activiteiten te formuleren die bijdragen aan inclusief onderwijs.
- de geformuleerde doelstellingen en activiteiten te toetsen aan de normen van het VN-verdrag, bijvoorbeeld door het vormgeven van monitoringsactiviteiten samen met ECIO. Deze activiteiten worden vormgegeven door de werkgroep zelf.
- opgedane kennis en inzichten tijdens een evaluatie met elkaar, met overige betrokkenen, en met de betreffende onderwijssector te delen, bijvoorbeeld via samenwerking met koepelorganisaties, zoals de MBO Raad of Universiteiten van Nederland en de Vereniging Hogescholen.