Onderwijsaanpak | Tilburg University over neuro-inclusief toetsen

geinterviewden op en bankje buiten met boven op de achtergrond

“Wat goed is voor neurodivergente studenten, is vaak gewoon goed onderwijs.”

Wie bepaalt wat ‘goed presenteren’ is? Veel beoordelingscriteria leggen de focus op het maken van oogcontact, een goede non-verbale houding, enthousiasme, variatie in stemgebruik. Maar sluiten zulke criteria studenten niet juist uit? In de bachelor Filosofie aan Tilburg University durfden docenten dit ter discussie te stellen en ontwikkelden ze een neuro-inclusievere aanpak voor het oefenen en beoordelen van presentatievaardigheden. We gingen hierover in gesprek met Hanne Jacobs (opleidingsdirecteur), Yvette Drissen (docent) en Sinsemilla Blokvoort (voormalig student-assistent) over deze aanpak.

Wat was de aanleiding voor jullie neuro-inclusieve innovatie?

Yvette: “Het begon bij feedback van studenten. Een student kwam naar me toe met de vraag of ze punten zou verliezen op haar monotone stem, want in de beoordelingsrubriek stond dat stemvariatie werd verwacht. Een andere student vertelde over de angst voor paniekaanvallen tijdens presentaties. Weer een ander had tics waar die zich zorgen over maakte bij de beoordeling. Die zorgen waren voor mij het startpunt.”

Hanne: “In de eindtermen van de opleiding staat dat afgestudeerde filosofiestudenten filosofische concepten en argumenten moeten kunnen presenteren. Maar nergens staat wat ‘goed presenteren’ precies betekent. Toen ik de beoordelingsrubriek bekeek, zag ik hoe normerend die eigenlijk was: oogcontact, stemvariatie, lichaamstaal, et cetera. Maar wat als iemand stottert, in een rolstoel zit, of neurodivergent is? Dan werd er eigenlijk beoordeeld op iets dat niet per se iets zegt over de inhoudelijke kwaliteit van de presentatie of de effectiviteit van de presentatie. Omdat dit bovendien ging om een eerstejaarsvak dat meetelde voor het bindend studieadvies, werd het extra urgent om dit te herzien.”

Normatieve aannames in de beoordelingsrubriek: wat betekende dat voor jullie?

Hanne: “Voor mij voelde het alsof die beoordelingsrubriek echt vastzat in een soort idée fixe. De manier waarop studenten moesten presenteren werd als vanzelfsprekend gepresenteerd, maar dat was het natuurlijk niet. Oogcontact, handgebaren, stemvariatie, alsof dat universeel ‘goed presenteren’ betekent. Ik wilde dat fundamenteel ter discussie stellen en aanpassen. Wat we uiteindelijk willen is: authenticiteit. We willen studenten de ruimte geven om hun eigen, overtuigende manier van presenteren te vinden, een manier die bij hen past.”

Sinsemilla: “Wat je ook ziet, is dat de huidige beoordelingscriteria vaak neuronormatief zijn. Er is een bepaald idee van wat een ‘goede spreker’ of een ‘goede presentatie’ is, bijvoorbeeld iemand die zijn handen gebruikt, enthousiast is, mensen aankijkt. Maar dat is maar één stijl. En die sluit dus bepaalde studenten structureel uit, zonder dat dat iets zegt over hun vermogen om een boodschap effectief over te brengen. Dit staat eigenlijk nooit ter discussie. Wij wilden die normativiteit juist bevragen.”

Hoe zijn jullie te werk gegaan?

Sinsemilla: “We zijn begonnen met een literatuurstudie. Hanne had al veel literatuur verzameld, en ik werkte zelf aan mijn scriptie over autisme en epistemische onrechtvaardigheid. Dat sloot mooi aan. We combineerden die inzichten met praktijk- en ervaringskennis. Tijdens het lezen kreeg ik veel ideeën over hoe het anders kon. Die werkte ik uit en legden we vervolgens voor aan studenten via focusgroepen. Studenten konden ook één-op-één of schriftelijk input leveren, net wat voor hen prettig was.”

Hanne: “Voor mij was het belangrijk om me te verdiepen, juist omdat ik geen onderwijskundige ben. Eén zin uit een artikel is me altijd bijgebleven: ‘Neuro-inclusive assessment design, bears a strong resemblance to good assessment.’ Dat voelde als een sleutelzin. Wat goed is voor neurodivergente studenten, is vaak gewoon goed onderwijs. Dat wilden we serieus nemen en ook empirisch gaan onderbouwen. Niet op buikgevoel, maar via gesprekken met studenten, focusgroepen en verder onderzoek.”

Hoe hebben jullie draagvlak gecreëerd?

Hanne: “We hebben bewust voorbereidend werk gedaan. We hebben twee filosofen van buiten uitgenodigd voor een theoretische lezing over neurodiversiteit voor docenten en stafmedewerkers. Even later hebben we onze innovatie gepitcht aan diezelfde groep. Daarbij gaven we eenvoudige tips (zoals: nummer je slides, denk na over opnames). We hebben dit ook buiten het departement gedeeld in workshops en in het overleg met opleidingsdirecteuren. Zo bouwden we echt aan draagvlak. Is iedereen meteen om? Nee. Maar er is nu wel breed het besef dat dit een belangrijk thema is, en collega’s weten ons te vinden.

Wat ook helpt: er zijn medewerkers die openlijk neurodivergent zijn of persoonlijke ervaringen hebben. Dat verlaagt de drempel voor gesprek en nuanceert stereotypen. Vaak willen docenten best bijleren, maar ze hebben vooral handvatten nodig.”

Hoe zag de opdracht er eerst uit, en hoe ziet die er nu uit na jullie aanpassingen?

Yvette: “Voorheen kregen studenten in een eerstejaarsvak een lange filosofische tekst en moesten ze een presentatie van dertig minuten geven. Er zat nauwelijks oefening of begeleiding in. Je sprong meteen in het diepe en het werd vooral een momentopname. In de vernieuwde versie bouwen we geleidelijk op. Studenten denken eerst na over wat een goede presentatie is en welke stijl bij hen past. Daarna oefenen ze in kleine groepjes en krijgen ze peerfeedback en self-assessment via FeedbackFruits. Pas aan het eind geven ze een langere presentatie in hun groepje. De beoordelingscriteria zijn ook ruimer geformuleerd: niet meer ‘maakt oogcontact’, maar bijvoorbeeld ‘non-verbaal gedrag ondersteunt het verbale.’ Zo kunnen studenten experimenteren en hun eigen stijl ontwikkelen.

Ook formuleren ze persoonlijke leerdoelen, waarop ze reflecteren gedurende het semester. Dat maakt dat ik ze aan het eind nog steeds beoordeel op dezelfde eindtermen, maar met inachtneming van hun eigen ontwikkelingspad. Het is minder een toets en veel meer een leertraject.

We hebben ons hierbij ook laten inspireren door het raamwerk van Universal Design for Learning. Studenten krijgen meer keuzeruimte in hoe ze presenteren: voor de klas, in een online setting of via een opgenomen video. En ook in het inleveren van opdrachten, bijvoorbeeld schriftelijk, visueel of audio.”

Sinsemilla: “Het grote verschil is dat studenten nu écht eigenaar zijn van hun leerproces. Voorheen was het: ‘Dit moet je doen, succes.’ Nu is het: ‘Wat wil jíj leren? Hoe wil jij groeien als presentator?’ Dat maakt het onderwijs niet alleen inclusiever, maar ook interessanter.”

Hanne: “En belangrijk: dit betekent geen verlaging van de standaard. De eindtermen zijn precies hetzelfde gebleven. Wat we veranderd hebben, is de route ernaartoe. Studenten krijgen nu de kans om stapsgewijs te oefenen en groeien, in plaats van beoordeeld te worden op een eenmalige prestatie.”

“De verandering betekent geen verlaging van de standaard. De eindtermen zijn gelijk gebleven. Wat we veranderd hebben, is de route ernaartoe.” – Hanne

Tips voor onderwijsprofessionals

  • Kijk kritisch naar je beoordelingsrubriek. Is er ruimte voor verschillende stijlen? Moedig groei aan, laat studenten oefenen en reflecteren.
  • Vraag studenten om input. Ze weten vaak goed wat werkt en wat niet. Je hoeft het niet allemaal zelf uit te vinden.
  • Vertrouw op je intuïtie als docent. Als iets wringt, mag je dat serieus nemen.
  • Durf te denken vanuit teach for success. Hoe richt je onderwijs zó in dat zoveel mogelijk studenten de eindtermen kunnen halen?
  • Zie UDL als werkwoord. UDL is geen statisch concept, maar een manier van handelen, ontwerpen en voortdurend afstemmen.vertrek bottom-up vanuit concrete problemen in jouw klas.
  • Creëer draagvlak onder collega’s. Organiseer lezingen of workshops, nodig experts uit, deel tips en regel steun van studieadviseurs en decanen. Openheid van neurodivergente collega’s helpt.

Je kennis en ervaringen delen?

Deel ook jouw verhaal!