Wet- & regelgeving in het mbo/hbo/wo

“ Toegankelijkheid: geen keuze maar plicht.“
Als onderwijsinstelling heb je een wettelijke verplichting om toegankelijk te zijn. De toegankelijkheidseisen en nationale besluitvorming gaan er vanuit dat instellingen de komende jaren systematisch werken aan de verbetering van de toegankelijkheid van digitale producten en online systemen.
De volgende wettelijke kaders gelden
Werkagenda VN-verdrag Handicap 2025–2030
In 2026 is het tien jaar geleden dat Nederland het VN-verdrag Handicap ratificeerde. Dat verdrag verplicht de overheid en instellingen om gelijke behandeling en volwaardige participatie voor iedereen te garanderen. Met de werkagenda 2025–2030 zet het kabinet nieuwe stappen richting een volledig toegankelijke samenleving in 2040. Voor het onderwijs betekent dit onder meer:
- Verbetering digitale toegankelijkheid;
- Begeleiding van school naar duurzaam werk;
- Betere overstap van v(s)o naar mbo;
- Verbetering begeleiding tijdens beroepspraktijkvorming (BPV);
- Onderzoek naar maatwerk in hbo en wo.
Algemeen
- VN-verdrag: bepaalt dat mensen met een beperking volwaardig moeten kunnen deelnemen aan de samenleving. De overheid is net als de ho-instellingen verantwoordelijk voor de implementatie van het VN-verdrag inzake Rechten van Personen met een Handicap. Dit betekent ook de verplichting om toegankelijk onderwijs te garanderen. (Private) aanbieders van goederen en diensten moeten, naast de individuele aanpassingen, zorgen voor de algemene toegankelijkheid voor mensen met een beperking. (14 juni 2016)
- Wet Gelijke Behandeling handicap/chronische ziekte (WGBh/cz): vereist dat aanbieders van goederen en diensten geleidelijk moeten zorgen voor de algemene toegankelijkheid voor mensen met een beperking. Deze wet verplicht instellingen om doeltreffende aanpassingen te doen voor studenten met een beperking of chronische ziekte. Alleen indien de aanpassingen een onevenredige belasting vormen voor de school, hoeft de school dit niet te doen. Om te voldoen aan de eisen van het VN-verdrag handicap is de WGBh/cz op 14 juni 2016 uitgebreid met het aanbod van goederen en diensten.
- European Accessibility Act (EAA) vereist dat online producten en diensten waaronder websites digitaal toegankelijk moeten zijn (2025). Hiermee wordt de wetgeving rondom digitale toegankelijkheid in de gehele Europese Unie gelijkgetrokken.
- Europese standaard EN 301 549 waarborgt de toegankelijkheid van content voor mensen met een auditieve/visuele beperking. Deze internationale standaard verplicht het vastleggen van digitale toegankelijkheid in nationale regelgeving en toegankelijkheid van digitale kanalen in de publieke sector. Deze verplichting geldt voor websites, apps, en intra- en extranet. Deze standaard is de opvolger van de Webrichtlijnen.
- Web Content Accessibility Guidelines (WCAG) stelt richtlijnen voor de toegankelijkheid van webinhoud op desktops, laptops, tablets en mobiele apparaten. Doel: een toegankelijkere inhoud voor een breed scala van mensen met een functiebeperking. De WCAG is een integraal onderdeel van de Europese standaard EN 301 549. Op 5 oktober 2023 is WCAG 2.2 geüpdatet als een W3C-aanbeveling. Alle wijzigingen ten opzichte van de vorige publicatie zijn te vinden in een overzicht van de W3C en op de website van ECIO.
- Tijdelijk Besluit digitale toegankelijkheid voor de overheid vereist dat websites en mobiele apps van overheidsinstanties volgens een stappenplan in 2021 aan de vereisten van toegankelijkheid moeten voldoen. De Nederlandse verplichting voor digitale toegankelijkheid voor overheidsinstanties is in juli 2018 in werking getreden onder de noemer ‘Tijdelijk Besluit digitale toegankelijkheid voor de overheid’.
HBO/WO
- Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) vraagt aandacht voor voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid bevorderen voor studenten met een functiebeperking.
- NVAO: de toegankelijkheid en studeerbaarheid van hbo/wo voor studenten met een beperking is opgenomen in het Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland van de NVAO. Binnen dit kader wordt onderzocht in welke mate het kwaliteitszorgsysteem van instellingen voldoende is om de kwaliteit van het onderwijs voor haar studenten te borgen. Onderwijsinstellingen worden hierbij gevraagd om zich te verantwoorden over het beleid studeren met een functiebeperking en de voorzieningen die zij bieden, zoals bijvoorbeeld digitale toegankelijkheid.
MBO
- Servicedocument zwangere mbo-studenten over wettelijke maatregelen (januari 2021: Kennispunt Passend Onderwijs).
- Wet Passend onderwijs: Passend onderwijs betekent een zo passend mogelijke plek voor iedere student. Mbo-scholen moeten bij het inrichten van hun onderwijs rekening houden met studenten met extra ondersteuningsbehoefte. Met passend onderwijs gaat het dus niet alleen om studenten met een beperking of chronische ziekte, maar ook om studenten in bijzondere omstandigheden zoals ouderschap of mantelzorg.
- Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB): Deze vereist een positief afgeronde BPV en een minimum aantal BPV-uren voor het behalen van een diploma (artikelen 7.4.6 en 7.2.7). Afwijking is mogelijk voor studenten met een handicap of chronische ziekte, mits onderbouwd en de leerdoelen behaald worden. Uitzondering geldt voor wettelijke beroepsvereisten. Afwijking van de urennormen kan ook op programmaniveau, als de kwaliteit gewaarborgd blijft en het bevoegd gezag het onderbouwt. De wetswijziging heeft de rechtspositie van mbo-studenten versterkt en administratieve lasten verminderd, waaronder het afschaffen van de schriftelijke onderwijsovereenkomst, met jaarlijkse evaluatie van extra ondersteuning.
- Voortijdig schoolverlater: dit betreft jongeren tussen de 12 en 23 jaar oud is; niet ingeschreven staat op een school of de school minimaal vier weken zonder geldige reden niet volgt; geen startkwalificatie heeft (diploma minimaal mbo 2, havo of vwo). Jongeren met een entreediploma of uit het praktijkonderwijs/voortgezet speciaal onderwijs in een arbeidsmarktgericht uitstroomprofiel, zijn geen voortijdig schoolverlater als ze werken op basis van een arbeidsovereenkomst (art. 8.3.1 WEB).
- Wet Duurzaam naar werk: een bundeling van bestaande regels en afspraken rond jongerenbegeleiding. Het doel is om te voorkomen dat jongeren na het verlaten van school uit beeld raken en om de samenwerking tussen onderwijs en andere partijen te versterken. (ECIO-nieuwsupdate)
BPV
- Er is wettelijke ruimte om maatwerk te bieden in de BPV. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van extra begeleiding, spreiding van de BPV-periode over het jaar, minder uren en (fysieke) aanpassingen op de BPV-plek zelf. Zolang de student kan laten zien dat de leerdoelen bereikt worden, is er aanpassing mogelijk (zie WEB). Om aanpassingen te kunnen doen moet de school kunnen aantonen dat de student het reguliere BPV-traject niet kan volgen. Dit kan in de vorm van een verklaring van bijvoorbeeld een deskundige. Wettelijk is niet bepaald wie een verklaring mag afgeven (Kennispunt MBO Passend Onderwijs, z.d.-b). De school mag hier zelf beleid voor opstellen. De verklaring kan dus ook komen van bijvoorbeeld een studieloopbaanbegeleider of de examencommissie.
- Zorgplicht en BPV: een mbo-school heeft zorgplicht voor de kwaliteit van onderwijs, begeleiding en ondersteuning. De instelling moet zich inspannen om studenten, binnen hun mogelijkheden en inzet, te helpen voldoen aan de voortgangsnormen en de opleiding succesvol af te ronden. Als een student achterblijft, moet de school dit tijdig onderkennen en concrete maatregelen voorstellen, afgestemd op de situatie van de student. De school moet studenten in staat stellen de opleiding binnen de vastgestelde studieduur af te ronden. Als de BPV niet succesvol is, moet de school bijvoorbeeld extra voortgangsgesprekken organiseren of een nieuwe stageplaats zoeken, met de juiste begeleiding en actieve monitoring van de voortgang. (artikelen 7.2.9leden 1 en 2 en 7.2.7 lid 1 WEB).
- BPV Protocol: De MBO Raad heeft samen met SBB, OCW, MKB-Nederland en VNO-NCW een protocol opgesteld waarin bindende afspraken staan over de beroepspraktijkvorming. Deze gaan over de voorbereiding, begeleiding en uitvoering van de BPV-periode en de verantwoordelijkheden van student, school en leerbedrijf.
- Examineren en beoordelen in de BPV: er is een servicedocument beschikbaar dat kaders en richtlijnen geeft voor hoe men op een rechtmatige manier de beroepsspecifieke onderdelen kan examineren. Belangrijk hierbij is dat de kwalificatie-eisen met het toepassen van aanpassingen geborgd zijn. De examencommissie is hiervoor verantwoordelijk en besluit of een aangevraagde aanpassing gehonoreerd kan worden. De examencommissie hanteert hierbij drie criteria. A: Beoordeelt of niet aan kwaliteitseisen wordt voldaan en legt uit welke eisen dat zijn en waarom. B: De aangevraagde aanpassing moet de belemmering op de meest adequate manier wegnemen. C: De aanpassing mag de instelling niet onevenredig belasten. De student kan in beroep gaan tegen de beslissing. Afspraken over passende examinering worden vastgelegd in het diplomadossier.
- Rechten en plichten van de student: een student is wettelijk niet verplicht om zijn ziekteverleden of beperking te vermelden in een cv of sollicitatiegesprek. Werkgevers mogen hier niet naar vragen, tenzij de beperking de uitvoering van de taken belemmert. In dat geval moet de student dit aangeven. Wordt dit niet gemeld, dan kan het leerbedrijf de BPV stopzetten. Het is belangrijk dat de student open is over benodigde aanpassingen tijdens het sollicitatieproces.
- Werktijden en leeftijden: Voor studenten gelden tijdens de BPV dezelfde arbeidstijden als voor andere medewerkers van de afdeling waar de student geplaatst is. Deze afspraken zijn vastgelegd in de praktijkovereenkomst. De arbeidstijd mag niet in strijd zijn met de geldende Arbowet- en regelgeving (waaronder de Arbeidstijdenwet).
- Burgerlijk Wetboek: Artikel 6:170 en artikel 7:658 uit het Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing op alle studenten die stagelopen. Het beschrijft de werkgeversaansprakelijkheid en de aansprakelijkheid van de student als stagiair.
- Informatie delen: Het delen van persoonsgegevens vraagt om een zorgvuldige afweging van wat je deelt en waarom. Ook voor en tijdens de BPV kan het zijn dat gegevens gedeeld worden met een professional van een andere organisatie.
